Dossiers

Filmgenres

So Bad it's Great

In samenwerking met SCC bieden we deze zomer een educatieve en academische blik op de charme en waarde van ‘slechte films’. Jeremi Szaniawski schreef een korte tekst waarin hij deze educatieve filmcyclus kadert binnen de beleving van de huidige gezondheidscrisis. Op 21.06 brengt hij een lezing in het Frans over “guilty pleasures” als inleiding op de film Xanadu. Op 28.06 gaat Michael Cramer in het Frans dieper in op deze “demonische” Italiaanse cinema van Lamberto Bava, maar ook Mario Bava, Lucio Fulci, Dario Argento, Claudio Fragasso… komen aan bod.

Beide heren worden gerespecteerd en gewaardeerd op universiteitscampussen, maar zij zijn ook passionele fans van films en filmmakers. Dat merk je op onderstaande foto: 'Cineast Dario Argento tussen twee fans: Jeremi Szaniawski en Michael Cramer.’

 © Jeremi Szaniawski et Michael Cramer, NYC, Fangoria 2009.

Lof der mislukking

Jeremi Szaniawski

So Bad It's Great werd bedacht in januari 2020 - net voor de gezondheidscrisis de wereld op zijn kop zette. Het programma werd dus al veel vroeger helemaal gepland en vervolgens twee keer geannuleerd in het voorjaar en najaar van 2020. Vanaf juni 2021 wordt er gebruik gemaakt van de heropening van de cinema's en filmmusea om de films en conferenties met het publiek te delen.

So Bad It's Great omvat enkele van de belangrijkste werken van de 'cinema bis', ‘B tot Z films’ en andere epische mislukkingen van de zevende kunst. Men heeft inderdaad het recht zich af te vragen of deze jolige programmatie wel deugt in een tijd van angst, leed en groot verdriet voor zovelen onder ons.

Er zijn momenten waarop het genieten van slecht gemaakte films een ironische of zelfs cynische houding is. Heeft dit plezier - dat wij vandaag de dag zouden associëren met een "hipster"-houding, gelinkt aan een postmoderne en misplaatste herwaardering van teksten die a priori geen echte artistieke waarde hebben - een stem in deze diep verontruste tijden?

Als we het postulaat aanvaarden dat "dumbing down" goed voor je is, dan is het kijken naar slechte films aan te raden, althans in homeopathische doses, ten allen tijde, en vooral in tijden van verhoogde stress. In sombere tijden waarin de regering beperkende regels oplegt om de pandemie aan te pakken, kunnen vormen van vermaak, zoals een filmvoorstelling, niet alleen zachtjes de aandacht afleiden, maar ook volledig verstrooien, en, in de context van openbare vertoningen, een publiek collectief samenbrengen voor een gedeelde belevenis.

Hier krijgt de functie van de mislukte film, van de ‘artistieke flop’, een politieke en nuttige wending die ver afstaat van het plezier van een neerbuigende insider: deze bijzonder onacademische werken vertegenwoordigen vormen van verzet door de manier waarop zij aan de norm (en dus aan de controle) ontsnappen.

Dit is heel duidelijk te zien wanneer men ze vergelijkt met de standaard-imitaties (parodieën) - die enkel ironisch zijn en die toch niet kunnen reproduceren wat, buiten de normen, deze 'B tot Z' films hun eigenaardige smaak geeft, zelfs hun poëzie.

Maar achter deze werken schuilt ook een kritiek op wat een controlerende maatschappij is: een vorm van dictatuur die brutaal en idioot is, en die koste wat het kost een visie wil afleveren.

Deze films, vaak gemaakt met een pauselijke ernst - ik denk in het bijzonder aan een interview met Lucio Fulci, aan het eind van zijn leven, die met een volslagen verwaandheid het genie Joe d'Amato vergeleek met Antonioni, en Spielberg overschatte - dragen door hun blindheid en hun weigering om onderscheid te maken tussen het origineel en de bleke kopie, een boodschap uit over een maatschappij die plotseling totalitair is geworden, en niet meer in staat is om met zichzelf te lachen.

Het is in die zin dat mislukte films een spiegel voorhouden aan een maatschappij die plotseling, na zoveel jaren, zichzelf ziet zoals ze is; zoals ze zichzelf nooit heeft willen zien. Als een vreselijke puinhoop die plotseling subliem zou worden. Plotseling worden de wrede, meedogenloze mechanismen die aan de basis liggen van de productie van cinematografische werken (van welk cinematografisch werk dan ook), en die gewoonlijk goed verborgen blijven onder de glimlach van de sterren en de gepolijste virtuositeit van de mise-en-scène, blootgelegd, in hun ruwe materialiteit - en dit is in de eerste plaats verbazingwekkend.

En dan, als laatste verdediging, duikt de lach op, tussen ongeloof en onbehagen, tussen sanctie en hechting. Sanctie, omdat het dat is wat de geest gewoonlijk niet wil zien, wat de spoeling verwijdert en terugstuurt naar de Werkelijkheid. Hechting, omdat in het aangezicht van verschrikking, vreugde onze beste strijd is.

Deleuze herinnerde ons eraan, in navolging van Spinoza, dat de vampier of het totalitaire regime zich met droefheid wilde voeden. Het is door een obscure alchemie dat wij, zowel begraven (en "gevlucht") als in de open lucht, de waarheid vinden die de mislukte tekst, de cinematografische "flop" in ons oproept, dat wil zeggen, zowel de absolute wil om te controleren als datgene wat er uit voortkomt: een puinhoop waartegenover wij de schalkse en onbeschaamde lach zwaaien.

Dit lachen, deze vreugde, is meer dan een manier om afstand te nemen van de mislukking: het is ook het ontbrekende element voor het oeuvre om zijn doel te bereiken, dat van een utopie die eindelijk volledig gerealiseerd is - de tijd van de projectie, de heilzame inenting en zaadlozing - voordat, met het licht weer aan in de zalen, we terugkeren naar onze dagelijkse duisternis, maar wel met een sprankje hoop, wie weet, in de wereld van morgen.


--Jeremi Szaniawski