Magica is een reeks educatieve kortfilms bedacht door de Belgische producent Pierre Levie, die de optische toestellen en uitvindingen verkent die aan de geboorte van de cinema voorafgingen. Van de thaumatroop tot de kinetoscoop brengen deze films de magie van de pre-cinema tot leven door middel van historische reconstructies en fascinerende demonstraties.

Magica

Regisseur :
Pierre Levie, Gérald Frydman, Patrick Ledoux, Frédéric Letang
Jaar :
1978-1985
Land :
België

Film Info

Genre  :
Kort, Animatie
Digitale Preservatie :
Digitalisatie – 2K

MAGICA

Pierre Levie (1916–2010) is een Belgische regisseur, scenarioschrijver en producent. Hij behaalt een doctoraat in de rechten aan de UCL (Université catholique de Louvain) en erft een bedrijf dat reclamefilms[1] produceert, wat hem geleidelijk aan richting documentaire en fictiefilm leidt. In 1971, wanneer hij al actief is binnen de productiewereld en beschikt over een filmset en studio’s in het Oud Korenhuis[2], wordt hij directeur van de productiemaatschappij Sofidoc.[3]

Hij realiseert de documentaires La Grande Barrière de corail (1969, in samenwerking met Pierre Dubuisson en Michel De Mevius), L’Université Catholique de Louvain (1960), Liège et son université (zonder datum)[4] en Avec le cirque au Congo Belge (1952).

Als producent produceert hij onder meer Les Gommes van Lucien Deroisy (1970), Malpertuis (1972) en Monsieur Hawarden (1967) van Harry Kümel, en Préparez vos mouchoirs van Bertrand Blier (1979).

Françoise Levie (1940–) is een Belgische regisseur en producent. Als dochter van Pierre Levie komt zij al op jonge leeftijd in aanraking met de filmwereld. Haar carrière begint bij de RTBF (Radio Télévision Belge Francophone), op de afdeling “onderzoek en reportages”. Ze is ook producent bij Sofidoc (het productiehuis van Pierre Levie), voordat ze haar eigen bedrijf opricht, Memento Productions.

Ze maakt voornamelijk documentaires waarin fictie, reportage en historisch onderzoek[5] worden gecombineerd, zoals L’Homme qui voulait classer le monde (2002) of Mata Hari, mythe et réalité d’une espionne (1998).

Pierre Levie en zijn vrouw zijn fervente verzamelaars en hebben een belangrijke collectie objecten uit het precinematijdperk opgebouwd.[6] Deze passie brengt Pierre Levie ertoe een reeks korte films te maken over optische apparaten en de geschiedenis van de cinema. De films hebben een educatieve inslag en combineren nagespeelde scènes uit die tijd met demonstraties van het gebruik van deze apparaten. “We hadden het idee om de volledige prehistorie van de cinema in dertien afleveringen te brengen.”[7]

Vanuit dat idee komen zij ertoe verbanden te leggen tussen hun films, hun collectie en die van de cinematheken: “Het was in de jaren 70, zo tussen 1975 en 1980, een periode waarin de cinematheken zich materieel begonnen uit te rusten. We moesten het publiek dus uitleggen wat een thaumatroop was, wat al die prachtige apparaten precies inhielden, en daarom namen we telkens een fragment uit onze films mee.”[8]

Sommige optische voorwerpen die in deze reeks worden getoond, zijn te zien in het CINEMATEK museum (bezoek), en voor de meest nieuwsgierigen is het zelfs mogelijk om de werking van een aantal ervan zelf uit te proberen.


Merci Monsieur Robertson
Pierre Levie, Patrick Ledoux

Merci Monsieur Robertson

Pierre Levie, Patrick Ledoux, Belgique 1985, Alexandre Von Sivers, Suzy Falk, Catherine Ferrière ⁄ kleur ⁄ 74’ ⁄ V: FR


Patrick Ledoux (1934-2009) is een Belgische regisseur en muzikant. Hij studeert oorspronkelijk aan het Institut de la Cambre om reclamemaker te worden en volgt daarnaast een opleiding in compositie en muziek[9]. Zijn carrière als filmmaker begint in 1957, wanneer hij deelneemt aan een scenariowedstrijd georganiseerd door de SABAM (Belgische Vereniging van Auteurs, Componisten en Uitgevers). Vervolgens realiseert hij verschillende soorten audiovisuele werken, zowel documentaires als televisieprogramma’s.

Merci Monsieur Robertson bestaat in zijn lange versie uit fragmenten van alle afleveringen van de reeks Magica, aangevuld met een kortfilm van Patrick Ledoux over de Belgische lantaarnkunstenaar Étienne-Gaspard Robert (ook bekend als Robertson, 1763–1837). Kort na de Franse Revolutie introduceert Robertson een nieuw type lantaarnvoorstelling: de fantasmagorie[10]. Deze voorstellingen hebben, zoals de naam al aangeeft, vaak verschijningen en geesten als thema, en weten met behulp van verschillende visuele effecten[11] een gevoel van verbazing en angst bij het publiek op te wekken.

De beroemde voorstelling van Robertson in het Couvent des Capucines vormt het decor voor de film van Patrick Ledoux. Skeletten, geesten, spoken… alles is aanwezig om de toeschouwers van toen te choqueren[12]. Een jonge vrouw, echter, lijkt onbevreesd en Robertson toont haar verschillende optische instrumenten doorheen de afleveringen van Pierre Levie’s Magica.

De kortfilm van Patrick Ledoux ontvangt twee prijzen op het Filmfestival van Brussel: de prijs voor beste regie en de prijs voor beste vertolking, toegekend aan Alexandre Von Sivers in de rol van Robertson. Hij sleept ook de Eerste Prijs voor kortfilms in de wacht tijdens de XXVIIIe Internationale Filmweek van Barcelona.[13]


La boîte à huit yeux
Pierre Levie, Françoise Levie

La boîte à huit yeux

Pierre Levie, Françoise Levie, Belgique 1978 ⁄ kleur ⁄ 16’ ⁄ V: FR

La boîte à huit yeux is een reconstructie van een optische doosvoorstelling waarin beelden uit de optische doos worden afgewisseld met een heropvoering van een authentieke voorstelling door een voorsteller. Optische dozen verschijnen in de 18e eeuw[14] en fungeren als hulpmiddelen waarmee een klein publiek beelden kan bekijken — in tegenstelling tot toverlantaarns, die beelden projecteren voor een groter aantal toeschouwers.[15]

Er bestaan verschillende types optische dozen: kleine en grote modellen, met enkelvoudig of meervoudig zicht (zoals de versie met acht lenzen die in de film te zien is), met dag- en nachteffecten, en met één of meerdere beelden[16]. De werking van optische dozen varieert naargelang het type, maar ze bevatten steeds een gravure — hetzij op de bodem, hetzij zichtbaar gemaakt via een spiegel. Sommige modellen laten toe meerdere beelden met behulp van een touwtje na elkaar te laten verschijnen. Kleppen aan de boven- of achterkant van de doos maken lichteffecten of afwisseling tussen dag en nacht op de gravure mogelijk[17].

De dozen richten zich vooral tot een breed, grotendeels ongeletterd publiek en bieden zo toegang tot informatie en uiteenlopende actualiteitsthema’s, zoals nieuwe bouwwerken, verre landen of zelfs oorlogen en rampen.[18] De film toont bovendien een reeks optische beelden rond deze thema’s: voorstellingen van wereldsteden zoals Parijs, Venetië en Constantinopel, maar ook van rampen, waaronder een aardbeving in Italië, de pest van 1720 in Marseille, een overstroming in Wenen, de brand van New York in 1776 en de brand van de Foire Saint-Germain in 1762.


Joseph Plateau
Pierre Levie, Françoise Levie

Pdf392

Joseph Plateau

Pierre Levie, Patrick Ledoux, Belgique, France 1984, Robert Roanne, Pierre Laroche, Suzy Falk ⁄ kleur ⁄ 12’ ⁄ V: FR

De film Joseph Plateau focust op de Belgische natuurkundige Joseph Plateau (1801–1883) en zijn uitvinding: de fenakistiscoop. Plateau, zoon van een schilder, studeert in 1824 af aan de Universiteit van Luik in de filosofie, letteren en rechten, maar vooral in de natuurkunde en de wiskunde. Hij wordt hoogleraar natuurkunde en verdiept zich in het bijzonder in het fenomeen van de persistentie van het netvlies.[19]

Vanaf 1827 begint Joseph Plateau experimenten uit te voeren rond dit concept. Geïnspireerd door het werk van Chevalier d’Arcy tracht hij op zijn beurt de duur van de beeldpersistentie op het netvlies te berekenen. Met behulp van een zwarte kartonnen schijf en een tekening van een kroon[20] komt hij uit op een resultaat van 34/100 seconde (terwijl de werkelijke persistentie ongeveer 1/10 seconde bedraagt). In 1828 ontwerpt Joseph Plateau een eerste optisch apparaat, de anorthoscoop[21], voordat hij in 1932 de fenakistiscoop[22] creëert.

Zijn uitvinding is voornamelijk geïnspireerd op de zogenoemde “wielen” van Michael Faraday, waarbij hetzelfde systeem van inkepingen wordt toegepast. Wat dit door Plateau ontwikkelde optische object echter bijzonder maakt, is dat het beweging kan vastleggen en animeren. Het toestel bestaat uit een spiegel en een dubbelzijdige schijf met sleuven: één zijde is zwart en naar de toeschouwer gericht, terwijl de andere zijde, die naar de spiegel is gekeerd, de opeenvolgende fasen van een beweging toont, opgesplitst in zestien beelden langs de rand van de schijf. Zodra de schijf in beweging wordt gebracht, worden deze beelden tot een geanimeerde beweging samengevoegd[23].


La Photographie
Gérald Frydman

La Photographie

Gérald Frydman, Belgique, France 1983 ⁄ kleur ⁄ 6’ ⁄ V: NO DIALOGUE – OND: FR

Gérald Frydman (1942–) is een Belgische regisseur en producent. Hij volgt aanvankelijk wiskundelessen aan de universiteit, waar hij het “vrije seminarie over cinema” ontdekt dat hem op het pad van de zevende kunst brengt. Vervolgens volgt hij een opleiding tot cineast aan het IAD (Institut des Arts de Diffusion), waar hij onder meer als assistent van André Cavens werkt. Na zijn afstuderen richt hij zich niet op film, maar maakt hij fotoromans, vooral in samenwerking met filmmaker Richard Olivier, en werkt hij als scenarioschrijver voor stripverhalen. Zo creëert hij onder meer Sergent Laterreur, samen met tekenaar Touïs. Via fotoanimaties die hij realiseert voor de RTBF (Radio-Télévision belge de la Communauté française) en de ORTF (Office de radiodiffusion-télévision française) begint hij zijn carrière als filmmaker, voornamelijk in animatie en kortfilms. In 1981 richt hij Atelier Alfred op, een opleidingsatelier voor jonge cineasten, gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.[24]

La Photographie verbeeldt in animatie het ontstaan van de fotografie en de opkomst van nieuwe technologieën. De eerste stappen van de fotografie worden geïllustreerd door een gezin dat roerloos blijft staan tot de foto-opname is gemaakt. “In 1840, aan het begin van het machinetijdperk, duurde het 5 minuten en 30 seconden om een foto te maken”[25]. Het zou nog enkele jaren duren voordat het proces zou lijken op het instantproces dat we vandaag kennen[26]. Alleen het geluid van de wijzers van een klok verstoort het nemen van de foto en geeft aan dat de tijd verstrijkt. Dit lange wachten op het beeld wordt gevolgd door een voorstelling van een sterk gemechaniseerde, technologische samenleving, een verwijzing naar de film Metropolis van Fritz Lang (1927)[27]. De film werd onder meer geselecteerd voor het Festival van Annecy in 1983[28].


Les Lanternes vraiment magiques
Pierre Levie, Françoise Levie

Les Lanternes vraiment magiques

Pierre Levie, Françoise Levie, Belgique, 1985 ⁄ kleur ⁄ 14’ ⁄ V: FR

Les lanternes vraiment magiques geeft een beknopt overzicht van de geschiedenis van de toverlantaarn, van zijn in onbruik raken tot zijn hernieuwde populariteit tijdens de Franse Revolutie. In de 19e eeuw is de toverlantaarn een populair en gezinsgericht apparaat. De film is opgevat als een korte fictie, waarin we kinderen zien die onder elkaar toverlantaarnvoorstellingen repeteren, en ons kennis laten maken de objecten, de plaatjes, hun werking en het verloop van een voorstelling.

De kinderen presenteren om beurten een kort verhaal en organiseren een wedstrijd in het bijzijn van hun familie. We krijgen de bekende verhalen van Assepoester en De tegenslagen van Touche-à-tout te zien, maar ook meer anekdotische scènes: een molenaar en zijn ezel, een dame en haar hond, of bewakers in een militair kamp.

  bepaalde scènes kunnen schokkend zijn voor jonge kinderen (gewelddadige dood van dieren)


Emile Reynaud
Pierre Levie

8 – La choucroute
Jean Delire, Belgique (1964)

Jean Delire (1930-2000), réalisateur et photographe belge. Très vite intéressé par le cinéma, il crée un ciné-club à Charleroi et tourne un premier court métrage La Grille ne s’ouvre jamais seule (1949). Durant son service militaire, il intègre le service cinématographique de l’armée[1]. Il travaille ensuite comme assistant de Charles Dekeukeleire avant de commencer sa carrière à la RTB (télévision publique francophone). C’est à la télévision que la majeure partie de sa carrière se déroule, réalisant un large panel de production, que ce soient des reportages, des documentaires ou des émissions culturelles et courts-métrages[2]. En tant que cinéaste, il ne réalise qu’un seul long métrage, Plus jamais seuls (1969).

Tirée du conte du même nom de Jean Ray (1947), La Choucroute raconte l’histoire d’un vieux diamantaire qui reçoit de la part de son patron un « libre parcours » pour voyager gratuitement en profite pour aller rendre visite en train à son vieil ami libraire. Ce dernier lui emprunte son libre parcours, et accompagné de son chien, part à son tour et arrive dans un village désert, à la recherche d’une choucroute. Le film reçoit en 1964, le prix du meilleur film de fiction de court-métrage au VIe Festival national du film belge à Anvers[3]. Introduit par Maurice Béjart.


L’Odyssée des panoramas
Pierre Levie

L’Odyssée des panoramas

Pierre Levie, Belgique, France, 1984 ⁄ kleur ⁄ 14’ ⁄ V: FR

L’Odyssée des panoramas gaat in op de geschiedenis van geschilderde panorama’s. Robert Barker (1739–1806) dient in 1787 een eerste patent in voor een 360°-schilderij, met als doel een uitzicht te tonen alsof de toeschouwer zich ter plaatse bevindt[35]. In 1821 gaat Thomas Hornor (1785–1844) nog een stap verder door tijdens de restauratie van de St. Paul’s Cathedral in Londen[36] een tekenatelier bovenop de steigers in te richten. Hij beseft dan dat hij door al deze tekeningen te combineren een groots werk kan realiseren en geeft opdracht tot de bouw van een groot cirkelvormig gebouw, geschikt voor de presentatie van een monumentaal rond doek: het Colosseum[37].

Hoewel het Colosseum niet het succes kent waarop de maker had gehoopt, wordt de mode van panorama’s, of cyclorama’s, definitief ingezet. Ze verspreiden zich zowel in Europa als in de Verenigde Staten, met oorlog, religie en landschappen als populaire onderwerpen. De film gaat ook in op de restauratie van enkele van deze panorama’s door Gustav Berger, waaronder het panorama van de Slag om Atlanta[38] en dat van Versailles, geschilderd door John Vanderlyn[39]. Daarnaast toont de film andere belangrijke voorbeelden van panorama’s, zoals dat van de Slag bij Waterloo van Louis-Jules Dumoulin (1912), de Slag bij Champigny van Alphonse de Neuville en Édouard Detaille (1880–1882), de Slag bij Gettysburg van Paul Philippoteaux (1884), de belegering van Sebastopol door Franz Roubaud (1904) en Generaal Bourbaki in Luzern van Édouard Castres (ca. 1881). Ook het Mesdag-panorama van het strand van Scheveningen, geschilderd door Hendrik Willem Mesdag (1880–1881), en dat van de stad Thun — het zogenoemde Panorama Wocher — van Marquard Wocher (1809–1814) komen aan bod.


Le Cheval de fer
Gérald Frydman

Le Cheval de fer

Gérald Frydman, Belgique, 1984 ⁄ couleur ⁄ 7’ ⁄ V: NO DIALOGUE TUSSENTITLES: FR

Gérald Frydman (1942–) is een Belgische regisseur en producent. Hij volgt aanvankelijk wiskundelessen aan de universiteit, waar hij het “vrije seminarie over cinema” ontdekt dat hem op het pad van de zevende kunst brengt. Vervolgens volgt hij een opleiding tot cineast aan het IAD (Institut des Arts de Diffusion), waar hij onder meer als assistent van André Cavens werkt. Na zijn afstuderen richt hij zich niet op film, maar maakt hij fotoromans, vooral in samenwerking met filmmaker Richard Olivier, en werkt hij als scenarioschrijver voor stripverhalen. Zo creëert hij onder meer Sergent Laterreur, samen met tekenaar Touïs. Via fotoanimaties die hij realiseert voor de RTBF (Radio-Télévision belge de la Communauté française) en de ORTF (Office de radiodiffusion-télévision française) begint hij zijn carrière als filmmaker, voornamelijk in animatie en kortfilms. In 1981 richt hij Atelier Alfred op, een opleidingsatelier voor jonge cineasten, gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.[40] 

Le Cheval de fer vertelt het sleutelmoment in de geschiedenis van de cinema – en van de fotografie – waarop de chronofotografie en de zoopraxiscoop ontstaan. Frydman kiest ervoor om de figuur van Eadweard Muybridge in scène te zetten, ingehuurd door Leland Stanford – baas van de Central Pacific Railway en achtste gouverneur van Californië – na een weddenschap over de gang van een galopperend paard. De film volgt de verschillende experimenten die Muybridge uitvoert om erin te slagen een bewegend paard scherp vast te leggen. Frydman doet opnieuw een beroep op zijn vriend Claude Lambert voor de tekeningen, als vervolg op hun samenwerking bij zijn vorige film, Agulana.

De film maakt deel uit van de kortfilmreeks Magica, over het ontstaan van de cinema, bedacht door de Belgische producent Pierre Levie, die objecten uit de periode vóór de cinema verzamelde[41]. Het betreft eigenlijk de tweede samenwerking van Frydman met Levie voor deze reeks, aangezien hij al in 1983 een eerste aflevering realiseerde, La Photographie.

Bij zijn derde deelname aan Cannes wint Le Cheval de fer de Gouden Palm voor kortfilm op de 37e editie van het festival, in 1984. Net als Agulana, eveneens bekroond in Cannes in 1976 en die in de Belgische zalen vertoond werd samen met de Gouden Palm Taxi Driver van Martin Scorsese, komt Le Cheval de fer in België in de zalen tegelijk met Paris, Texas van Wim Wenders, Gouden Palm 1984.


La Mémoire de l’œil E.J. Marey
Pierre Levie

La Mémoire de l’œil E.J. Marey

Pierre Levie, Belgique, 1986 ⁄ kleur ⁄ 12’ ⁄ V: FR

La Mémoire de l’œil E.J. Marey belicht het leven en werk van de Franse fysioloog en wetenschapper Étienne-Jules Marey (1830–1904), uitvinder van het fotografische geweer en van de chronofotografie. Net als Eadweard Muybridge, die een belangrijke inspiratiebron vormt voor zijn eigen werk[42], ontleedt Marey beweging aan de hand van fotografie. Chronofotografie laat toe een bewegend lichaam met een vaste frequentie te fotograferen, waarbij de opeenvolgende fasen naast elkaar in één beeld worden weergegeven[43].

Om het experiment te laten slagen hanteert Marey een strikt interval tussen elke opname en introduceert op die manier een wetenschappelijke methode. Zo draagt hij bij aan zowel de weergave van beweging via fotografie als aan de ontwikkeling van de cinema[44]. Omdat Marey’s beelden elkaar overlappen, hebben ze vandaag eerder een esthetisch dan een wetenschappelijk[45] karakter. De film reconstrueert bovendien zijn methode en brengt de verschillende fasen van zijn onderzoek in beeld, aan de hand van foto’s die lijken op die welke Marey in zijn tijd zou hebben gemaakt.


Une invention sans avenir
Daniel Schelfthout

Une invention sans avenir: Thomas Edison

Daniel Schelfthout, Belgique, 1985 ⁄ kleur - ZW ⁄ V: FR-EN

Daniel Schelfthout is een Belgische animator, tekenaar en beeldhouwer (1947) uit Brugge[46]. Hij studeerde animatie aan de Academie van Gent[47]. Als maker van animatiefilms werd hij tweemaal bekroond op festivals, onder meer in Annecy en Chicago[48]. Hij is vooral bekend om zijn film Ego (1973), die in Annecy[49] in de prijzen viel.

De animatiefilm Une invention sans avenir belicht de overgangsperiode tussen het pre-cinematijdperk en de opkomst van de film, met bijzondere aandacht voor de figuur van de Amerikaanse uitvinder Thomas Edison (1847–1931). Hij wordt vaak beschouwd als de vader van de moderne cinema en is in elk geval de uitvinder van de kinetoscoop, het eerste toestel waarmee bewegende beelden op film konden worden bekeken. Dit apparaat was bestemd voor telkens slechts één toeschouwer, die met een zwengel[50] het mechanisme in beweging kon zetten en door een kleine opening een korte film kon bekijken. Thomas Edison zal bovendien als eerste een filmstudio oprichten : Black Maria[51].

De film belicht de iconische uitvinders van de moderne cinema en hun uitvindingen: Étienne-Jules Marey, Émile Reynaud, maar ook Léon Bouly (1872–1932), die de term cinematograaf bedacht; Ottomar Anschütz (1846–1907) en zijn elektrotachyscoop; Georges Demenÿ (1850–1917) en de fonoscoop; Louis Le Prince (1841–1890) en zijn patent voor een machine met zestien lenzen en twee filmstroken; en tot slot de fotograaf William Friese-Greene (1855–1921). Zonder uiteraard de gebroeders Lumière te vergeten!


Les Babies de Charles Pathé
Pierre Levie

Les Babies de Charles Pathé

Pierre Levie, Belgique, 1986 ⁄ kleur - ZW ⁄ 12’ ⁄ V: FR

Les Babies de Charles Pathé gaat over de geschiedenis van de Pathé-Baby, een kleine filmprojector die door het bedrijf Pathé op de markt wordt gebracht. In 1912 introduceren de gebroeders Pathé het eerste model voor thuisgebruik, de Pathé Kok, die gebruik maakt van 28 mm-film. Hoewel het toestel bij het publiek goed wordt ontvangen, verliest Pathé al snel interesse, omdat het formaat te dicht bij dat van 35 mm ligt. Het bedrijf besluit daarom een kleiner systeem te ontwikkelen: de Pathé-Baby, een kleine projector voor 9,5 mm-film, die vanaf 1922[52] op de markt komt. Deze projector groeit uit tot een populair amusementsapparaat dankzij zijn gebruiksgemak en compacte formaat, waardoor films thuis kunnen worden vertoond. Het jaar daarop brengen de gebroeders Pathé ook een camera op de markt waarmee amateur- en familiefilms[53] kunnen worden gemaakt.

Naast de projector bieden zij een eerste catalogus aan met 194 films om te vertonen. Elke rol is 10 meter lang en heeft een projectietijd van ongeveer twee minuten.[54]

Gesterkt door het succes diversifieert het filmaanbod zich geleidelijk: het omvat niet alleen bewerkingen van films die in klassieke bioscopen worden vertoond, maar ook korte actualiteitsfilms, de Pathé-Gazette, educatieve films, enzovoort. De Pathé-Baby draagt daarnaast ook bij aan de opkomst van erotische en pornografische cinema[55]. In dit formaat verschijnen ook grote klassiekers uit de stomme film, zoals Metropolis van Fritz Lang (1927) of La Roue van Abel Gance (1923).


Zootropomania
Pierre Levie

Zootropomania

Pierre Levie, Belgique, 1983 ⁄ kleur  ⁄ 7’ ⁄ V: FR

Zootropomania belicht de uitvinding van de Engelse wiskundige William George Horner (1789–1837)[57]: het zoötroop (1835)[58], een verwant van de fenakistiscoop en een voorloper van de praxinoscoop. Het apparaat bestaat uit een cilinder met zwarte wanden, voorzien van op gelijke afstand geplaatste sleuven. Aan de binnenzijde van het onderste deel bevindt zich een strook afbeeldingen waarop de opeenvolgende fasen van een beweging worden weergegeven. De cilinder is op een stang gemonteerd en kan daardoor draaien. Wanneer de toeschouwer zich voor de sleuven positioneert, verschijnen de beelden als een doorlopende beweging.[59]

De film toont vooral uiteenlopende voorbeelden van zoötropen die de animatie zichtbaar maken zonder dat de sleuven het zicht belemmeren, en bevat daarnaast montages waarin verschillende tekeningen en motieven worden samengebracht. De behandelde onderwerpen zijn bijzonder gevarieerd: treinen, machines, smeden aan het werk, automaten, circusvoorstellingen, karikaturale operazangers, dieren en duiveltjes. De film toont daarnaast ook de werking van het instrument zelf. De film nam deel aan de 7e Journées du court-métrage Média 10/10 in Namen in november 1984[60].


Thaumatropes
Pierre Levie, Frédéric Letang

Thaumatropes

Pierre Levie, Frédéric Letang, Belgique, 1984 ⁄ kleur ⁄ 7’ ⁄ V: FR

Thaumatropes belicht het gelijknamige optische speelgoed, dat wordt toegeschreven aan de Engelse arts John Ayrton Paris. In de film wordt overigens het personage Tom Seymour opgevoerd, ontleend aan Paris’ boek Philosophy in Sport made Science in Earnest (1827)[61].

De thaumatroop is een optisch speelgoed dat bestaat uit een schijf met twee zijden, waarop telkens een andere afbeelding is aangebracht (bijvoorbeeld een vogel en een kooi). Met behulp van twee touwtjes kan de schijf snel worden rondgedraaid, waardoor een derde beeld ontstaat (een gekooide vogel). Dit effect berust op een bekend wetenschappelijk principe: de persistentie van het netvlies. Daarbij blijft een beeld gedurende enkele fracties van een seconde op het netvlies van het oog “geprent”, zodat op de thaumatroop een derde beeld “zichtbaar wordt”, een combinatie van de twee oorspronkelijke afbeeldingen[62].

De thaumatroop heeft echter een complexere oorsprong. Hoewel de uitvinding doorgaans wordt toegeschreven aan John Ayrton Paris, heeft deze het object vermoedelijk vooral gecommercialiseerd. Ook twee andere 19e-eeuwse wetenschappers, Charles Babbage en John Herschel[63], zouden naar aanleiding van een weddenschap soortgelijke optische voorwerpen hebben vervaardigd. Daarnaast bestaan er aanwijzingen voor proto-thaumatropen uit het paleolithicum, met een centrale perforatie in plaats van bevestigingen aan de randen van de schijf.[64]

Naast een reeks voorbeelden van verschillende thaumatropen toont de film ook animaties die op dit principe zijn gebaseerd. Dat is ook wat de Britse ingenieur Thomas Bickle probeerde te doen. Hij ontwikkelde een mechanische thaumatroop die een overtuigende indruk van beweging creëerde, in plaats van louter twee beelden te combineren.[65] De film wordt geselecteerd voor de kortfilmdagen van het Festival Média 10/10 in Namen in november 1984[66].


[1] P. LEVIE, « Pierre Levie, porte-cœur de Lucien Deroisy », in R. OLIVIER, Big Memory, Les Impressions Nouvelles, 2011, p. 204 ; F. BOLEN, « De quelques producteurs, des vrais », Ciné-Dossiers n°62, juin 1977, pp. 13.
[2] Idem.
[3] J.-M. VLAEMINCKX, « Sofidoc a la cinquantaine”, Cinergie.be, Cinergie.be
[4] R. MICHELEMS, « Levie, Pierre », in AUBENAS, J., Dic doc. Le dictionnaire du documentaire, Communauté française de Belgique, Bruxelles, 1999., p. 277.
[5] D. LEGRAND, « Levie Françoise », in, J. AUBENAS, Dic doc. Le dictionnaire du documentaire, Communauté française de Belgique, Bruxelles, 1999, p. 275.
[6] L. EGGERICX, “Cinéma et objets divers : passion d’un couple », Le Soir, 1 février 2007.
[7] J.-M. VLAEMINCKX, « Sofidoc a la cinquantaine”, Cinergie.be, Cinergie.be
[8] A. LANCKMANS, J.-M. VLAEMINCKX, “Pierre Levie, grand monsieur du cinéma belge », Cinergie.be, Cinergie.be
[9] P. LEDOUX, « Patrick Ledoux » - Archives CINEMATEK. 
[10] L. MANNONI, Le grand art de la lumière et de l’ombre op.cit., p. 136.
[11] L. MANNONI, Le grand art de la lumière et de l’ombre op.cit., p. 135.
[12] R. MICHELEMS, « Merci Monsieur Robertson », in M. THYS, Belgian Cinema – Le cinéma belge – de Belgische cinema, Ludion – Cinémathèque Royale de Belgique, Gand-Amsterdam – Bruxelles, 1999, p. 726.
[13] s.n., « Un court métrage belge primé à l’étranger », La Libre Belgique, 30 juillet 1986.
[14] Films Belges t. 2, Ministère des Affaires Etrangères, Bruxelles, 1986, p. 78.
[15] L. MANNONI, Le grand art de la lumière et de l’ombre. Archéologie du cinéma, Nathan, Paris, 1994, p.88.
[16] L. MANNONI, « Boîte d’optique », Catalogue des appareils cinématographiques de la cinémathèque française et du cnc, www.cinematheque.fr
[17] Ibid.
[18]Ibid.
[19]P. DUBOIS, « La thèse de l’Université de Liège de mai 1829 », in DUBOIS, P., ARNOLDY, E., Ca tourne depuis cent ans. Une histoire du cinéma francophone de Belgique, Communauté française de Belgique - Wallonie-Bruxelles, Bruxelles, 1995, p.16.
[20] J. BRISMEE, « Joseph Plateau et la persistance des impressions lumineuses », in DUBOIS, P., ARNOLDY, E., Ca tourne depuis cent ans. Une histoire du cinéma francophone de Belgique, Communauté française de Belgique - Wallonie-Bruxelles, Bruxelles, 1995, p. 14.
[21] Pour l’explication de cet outil optique, cf. L. MANNONI, Le grand art de la lumière et de l’ombre. Archéologie du cinéma, Nathan, Paris, 1994, pp. 198-201.
[22] L. MANNONI, Le grand art de la lumière et de l’ombre. Archéologie du cinéma, Nathan, Paris, 1994, p. 198.
[23] J. BRISMEE, op.cit, p. 15.
[24] F.R., « Créer un scénario de film aux Ateliers Alfred », Le Soir, 27 juillet 1986.
[25] Phrase de clôture du film.
[26] L. GEVART, « Aux origines de la photographie : une folle course à l’innovation », Beaux Arts, www.beauxarts.com
[27] Films Belges. t.2, Ministère des Affaires Etrangères, Bruxelles, 1986, p. 73.
[28] ANNECY FESTIVAL, Sélection officielle 1983, fiche film, www.annecyfestival.com
[29] G. MYRENT, « Emile Reynaud : First Motion Picture Cartoonist”, Film History 3 (3), 1989, p. 191.
[30] Ibid., p. 193.
[31] L. MANNONI, Le grand art de la lumière et de l’ombre. Archéologie du cinéma, Nathan, Paris, 1994, pp. 342-343.
[32] G. MYRENT, op.cit., p. 193.
[
33] L. MANNONI, « Reynaud, Emile », in R. ABEL, Encyclopedia of Early Cinema, Routledge, Londres – New-York, 2005, pp. 551-552.
[34]Ibid, p. 552.
[35] W. URICCHIO, « A « Proper Point of View” : the panorama and some of its early media iterations”, Early Popular Visual Culture 9(3), 2011, p. 226.
[36] R. KOECK, « 19th C. Panoramic Precision. The Colosseum of Hornor and Parris”, in R. KOECK, The Art of Spatial Illusion. Immersive Encounters between People, Media, and Place, Routledge, Londres – New-York, 2025, p. 51, 53.
[37] Ibid, p. 56.
[38]ATLANTA HISTORY CENTRE, « FAQs on Atlanta History Center’s Move on The Battle of Atalanta Cyclorama painting”, www.atlantahistorycenter.com [PDF]
[39] K.J. AVERY, P.L. FODERA, John Vanderlyn’s Panoramic View of the Palace and Gardens of Versailles, The Metropolitan Museum of Art, New-York, 1988, p. 38.
[40] F.R., « Créer un scénario de film aux Ateliers Alfred », Le Soir, 27 juillet 1986.
[41] D. BOURAS, J.-M. VLAEMINCKX, « Cannes-Gérald Frydman », Cinergie.be [En ligne], Cinergie.be
[42] R. ABEL "Marey, Etienne-Jules", in R. ABEL; Encyclopedia of Early Cinema, Routledge, op.cit., 413. 
[43] M. TORTAJADA, « L’instantané cinématographique : relire Etienne-Jules Marey », Cinémas. Revue d’études cinématographiques 21(1), 2010, p. 134.
[44] T. GUNNING, « The Invention of Cinema”, in R. KING, C. KEIL, The Oxford Handbook of Silent Cinema, Oxford University Press, Oxford, 2024, p. 24.
[45] Ibid, p. 23.,
[46] J.-P. VAN ROSSEM, « Humo sprak met animatiefilmer Daniel Schelfthout”, Humo, s.d., p.34. 
[47] s.n., "Ego (1973)", in DAVAY, P., DANCKAERTS, F., 1970-1980, 10 ans de cinéma belge - 1970-1980, 10 jaar Belgische film, Europalia 80 Belgique, Bruxelles, 1980, p. 96.
[48] J.-P. VAN ROSSEM, op.cit, p. 34.
[49] « Palmarès 1973, fiche film. Ego”, Annecy Festival,  www.annecyfestival.com
[50] « The Kinetoscope », American Society of Cinematographers, theasc.com. 
[51] P. SPEHR, « Edison, Thomas Alva », in ABEL, R., Encyclopedia of Early Cinema, Routledge, Londres, 2005, p. 203. 
[52] A. SCHNEIDER, « Time travel with Pathé Baby : The small-gauge film collection as historical archive », Film History : An International Journal 19 (4), 2007, p. 355 ; Fondation Jérôme Seydoux-Pathé, « Pathé-Baby. Le cinéma chez soi » [dossier de presse], www.fondation-jeromeseydoux-pathe.com [PDF] , p. 1.
[53] Fondation Jérôme Seydoux-Pathé, ibid., pp. 1, 4, 10 ; A. SCHNEIDER, ibid., p. 354..
[54] Fondation Jérôme Seydoux-Pathé, op.cit., p.5.
[55] Ibid., p. 10. 
[56] P. LEVIE, « Lettre au Service du Cinéma du Ministère des affaires économiques », 12 novembre 1987 [Archives famille Levie].
[57] R. L. GREGORY, « Our forgotten genius : W.G. Horner”, Perception 19, 1990, p. 2.
[58] B. GAUTHIER, Histoire du cinéma américian, Hachette Education, Paris, 2007, p.178.
[59] S. HERBERT, « From Daedaleum to Zoetrope”, The Wheel of Life, web.archive.org
[60] J.-L. FRANCOIS, R. SBILLE, « Certificat de participation » [Archives famille Levie].
[61] T. GUNNING, “Hand and Eye : Excavating a New Technology of the Image in the Victorian Era”, Victorian Studies 54 (3), 2012, p. 500.
[62] R.J. LESKOSKY, “Two-State Animation : The Thaumatrope and its Spin-offs”, Animation Journal 2 (1), Automne 1993, p. 24. 
[63] T. GUNNING, “Hand and Eye : Excavating a New Technology of the Image in the Victorian Era”, Victorian Studies 54 (3), 2012, p. 498; R.J. LESKOSKY, “Two-State Animation : The Thaumatrope and its Spin-offs”, Animation Journal 2 (1), Automne 1993, p. 22.
[64] M. AZEMA, F. RIVERE, “Animation in Palaeolithic art : a pre-echo of cinema”, Antiquity 86, 2012, pp.322.
[65] R.J. LESKOSKY, “Two-State Animation : The Thaumatrope and its Spin-offs”, Animation Journal 2 (1), Automne 1993, p. 26.
[66] J.-L. FRANCOIS, R. SBILLE, « Certificat de participation » [Archives famille Levie].