facebook instagram twitter

CLASSICS & ANTHOLOGIES

YASUJIRÔ OZU

13.09 > 14.11


In samenwerking met de ambassade van Japan in België en The Japan Foundation.


Yasujiro Ozu is zonder de minste twijfel een van de grootste Japanse regisseurs. Zijn films, meestal minimalistische drama’s waarin één familie centraal staat, zien er door en door Japans uit. Hij is één van de weinige regisseurs uit de filmgeschiedenis die een compleet eigen stijl heeft ontwikkeld. Maar de gevoelens die Ozu met zijn prachtig gekadreerde beelden (het lijken vaak stillevens) vat, zijn zo universeel dat ze van Timbuktu tot Anchorage begrepen worden. Om Louis Couperus te parafraseren: van jonge en oude mensen, de dingen die voorbijgaan.


“Ik ben 77 en ik ben ervan overtuigd dat ik nog maar pas aan mijn echte werk begonnen ben”, schreef Akira Kurosawa in een verjaardagsbrief aan Ingmar Bergman. Al is het onmiskenbaar zo dat flink wat regisseurs op hoogbejaarde leeftijd excellent werk hebben afgeleverd, een landgenoot van Kurosawa heeft bewezen dat je niet oud hoeft te worden om een omvangrijk én schitterend oeuvre na te laten.
Yasujiro Ozu, over hem gaat het, stierf op 12 december 1963, precies op zijn 60e verjaardag. Hoewel een hele resem stomme films die hij als twintiger draaide verloren is gegaan, zijn in totaal ruim dertig titels van hem bewaard gebleven. Ze vormen een van de meest consistente oeuvres in de filmgeschiedenis dat getuigt van een stilistische inventiviteit die amper zijn gelijke kent.
Nochtans was Ozu, een eeuwige vrijgezel die zijn hele leven bij zijn moeder bleef wonen, erg bescheiden over zijn werk. Ik ben als een tofuverkoper, zei hij ooit, ik heb voedzame maar doodnormale waren in de aanbieding. Hij werkte zijn hele leven voor Shochiku, een van de grote Japanse studio’s. Daar draaide hij aanvankelijk studentenkomedies die sterk steunden op gags (I Flunked, But…) of droefgeestige films over kantoorklerken (Tokyo Chorus), maar stilaan legde hij zich toe op het type verhalen dat zijn handelsmerk zou worden: vertroebelde familierelaties waarbij het conflict zich afspeelt tussen verschillende generaties. Het gros van die films schreef hij samen met zijn vaste coscenarist Kogo Noda. Al is er ook in die films, hoe melancholisch ze soms ook worden, bijna altijd plaats voor (visuele) humor.
Wat Ozu echt uniek maakt is zijn visuele stijl, met lage camerastandpunten, weinig beweging, een grote scherptediepte en een montagetechniek die haaks staat op de aanpak die in dezelfde periode in zowat de hele wereld opgeld deed. Wie die aanpak gewend is voelt zich bij een eerste film van Ozu aanvankelijk soms lichtjes verloren omdat hij de ruimte op een heel aparte manier opdeelt in shots. Wie er eenmaal aan gewend is ontdekt een fascinerend spel van cameraposities en plaatsing van personages en objecten in beeld. Vanaf het moment dat Ozu in kleur begint te werken - vrij laat, vanaf het soms wat over het hoofd geziene meesterwerk Equinox Flower - wordt ook kleur een parameter die hij op een originele manier bespeelt.
Dat formele meesterschap ondersteunt de pittige emoties in de films van Ozu: meestal slingert hij ze niet in het gezicht van de kijker en laat hij ze onderhuids sudderen, maar dat maakt ze er niet minder krachtig om.